Persoonlijkheid

Persoonlijkheidsstoornissen worden bij kinderen en adolescenten zelden vastgesteld omdat er in hun ontwikkeling nog veel kan veranderen. Daarom spreken we van een ‘persoonlijkheidsstoornis in ontwikkeling’ als er sprake is van ernstige vormen van vreemd en excentriek gedrag of dramatisch, emotioneel en grillig gedrag. Ook angstig en teruggetrokken gedrag kan daar onder vallen. Het is belangrijk om een kind te laten onderzoeken als het op verschillende vlakken niet goed gaat. Vooral bij jonge kinderen kan pas later vastgesteld worden of er echt sprake is van  scheefgroei in de persoonlijkheidsontwikkeling.

In totaal zijn er tien persoonlijkheidsstoornissen, onderverdeeld in drie clusters.
Cluster A: de vreemde en excentrieke persoonlijkheidsstoornissen. Dit type stoornissen kenmerkt zich door beperkingen in de sociale interactie en soms ook door vreemde zintuiglijke ervaringen en overtuigingen.

Cluster B: de dramatische en emotionele persoonlijkheidsstoornissen. Dit type stoornissen kenmerkt zich door impulsiviteit in stemming en gedrag, egocentrisme en een neiging tot ‘prikkelhonger’.

Cluster C: de angstige persoonlijkheidsstoornissen. Dit type stoornissen kenmerkt zich door bijvoorbeeld sociale angst, verlatingsangst, faalangst en perfectionisme.

Hoewel vanuit psychiatrische classificatie terughoudendheid wordt geadviseerd in het stellen van de classificatie persoonlijkheidsstoornis bij kinderen en jeugdigen, is er na zorgvuldig diagnostisch onderzoek geen reden om hiervan af te zien. Door ruimte te bieden aan de diagnose persoonlijkheidsstoornis op jonge leeftijd is er niet alleen erkenning voor het lijden van de patiënt en diens familie of omgeving, maar komen er ook bewezen effectieve behandelingen in zicht.

Binnen de nieuwe psychiatrische classificatie zal er waarschijnlijk meer dan tot op heden een dimensioneel ontwikkelingsperspectief op persoonlijkheidspathologie aanwezig zijn. Zo gaat het onderscheid tussen as 1 en as 2 verdwijnen en is er meer ruimte voor gradueel beoordelen van persoonlijke eigenschappen. Gevalideerde vragenlijsten zijn daarvoor in toenemende mate voor handen. Bij jongeren met een persoonlijkheidsstoornis is sprake van starre en onaangepaste patronen in waarneming, denken, omgaan met anderen en beheersing van de impulsen. De jongere wordt in zijn of haar functioneren belemmerd en heeft vaak last van de stoornis in de omgang met anderen. De starre patronen bestaan al langdurig en zijn stabiel.

Bij pubers vanaf een jaar of 14 moet je je beslist de vraag stellen of er niet gewoon sprake is van extreem puberen. Het is op die leeftijd dus lastig om vast te stellen of er sprake is van een heftige puberteitsreactie of dat de jongere bezig is een persoonlijkheidsstoornis te ontwikkelen”.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *