Hulp bij paniekstoornis (zonder agorafobie)

Cognitieve gedragstherapie bij paniekstoornis (zonder agorafobie)

Een bewezen effectieve behandeling volgens de Multidisciplinaire Richtlijn Angststoornissen

 

Wat is een paniekstoornis?

Paniekaanvallen zijn plotseling optredende, kortdurende periodes van heftige angst die gepaard gaan met allerlei lichamelijke sensaties, zoals onder andere hartkloppingen, zweten, trillen en benauwdheid. Of iemand lijdt aan een paniekstoornis moet worden vastgesteld door een terzake kundige psycholoog of arts. Die zal een paniekstoornis diagnostiseren wanneer de patiënt regelmatig paniekaanvallen heeft (1), wanneer die patiënt bovendien bang is dat zulke paniekaanvallen opnieuw zullen optreden (2), terwijl niet in extreme mate situaties worden vermeden waarin paniekaanvallen gemakkelijk kunnen optreden (3). In het laatste geval spreekt men immers van paniekstoornis met agorafobie. Hier gaat het dus over paniekstoornis zonder agorafobie, ofwel over paniekstoornis. Veel patiënten met paniekstoornis zijn voortdurend angstig en gespannen. 

Wat is cognitieve gedragstherapie?

Cognitieve gedragstherapie is één van de verschillende stromingen binnen de psychotherapie. Zij grijpt in op zowel het gedrag als op het denken van patiënten, werkt dikwijls met huiswerkopdrachten en kent over het algemeen een gestructureerde aanpak. Voor veel emotionele stoornissen zijn specifieke cognitief-gedragstherapeutische procedures ontwikkeld. Die bestaan ook voor paniekstoornis.

Hoe gaat cognitieve gedragstherapie bij paniekstoornis?

Van verschillende cognitief gedragstherapeutische procedures is aangetoond dat zij werkzaam zijn bij paniekstoornis. Deze procedures staan bekend als ‘(psychologische) paniekbeheersing’. Men gebruikt ook vaak de op het Engels gebaseerde term ‘(psychologisch) paniekmanagement’. Alle procedures bestaan in grote lijnen uit dezelfde drie stappen. Deze zijn: geruststellende uitleg (1), beter leren hanteren van lichamelijke sensaties en verontrustende gedachten (2) en gewenning aan zulke sensaties en gedachten (3). De wijze waarop deze stappen in de therapie worden uitgevoerd verschilt echter enigszins per procedure. 

Stap 1: geruststellende uitleg

In alle procedures wordt aan de patiënt duidelijk gemaakt dat paniekaanvallen weliswaar erg onaangenaam, maar voor het overige ongevaarlijk zijn. Ze moeten worden beschouwd als uit de hand gelopen alarmreacties. Wanneer er werkelijk gevaar dreigt moet het lichaam zich klaarmaken om in actie te komen: er moet worden gevochten of gevlucht. Dat voorbereiden op actie gaat gepaard met een versnelde hartslag, met een diepere ademhaling en met een verhoogde toevoer van bloed naar de armen en benen. Dat is goed. Wanneer de nood echt aan de man is, sta je in ieder geval klaar om iets te kunnen doen. Maar wanneer er geen werkelijk gevaar blijkt te zijn waarvoor je moet vluchten of waartegen je kunt vechten, zit je wel met een op actie voorbereid lichaam, zonder dat je echte actie kunt ondernemen. Het was dus ‘vals alarm’. Zo’n op actie voorbereid lichaam voelt soms aan als ‘paniek’. 

Dat is lastig, maar nog geen psychische stoornis. Beter tien keer te veel gewaarschuwd, dan één keer te weinig. Het wordt echter wel een probleem en zelfs een psychische stoornis wanneer de patiënt een foutieve betekenis aan zijn valse alarm reacties gaat geven. Wanneer hij gaat denken dat hij doodgaat of krankzinnig gaat worden of gaat flauwvallen. Dan gaat hij ook nieuwe paniekaanvallen vrezen en probeert hij deze te voorkómen. Daardoor echter neemt de kans op nieuwe paniekaanvallen juist toe. De patiënt komt in een spiraal terecht: hoe meer hij paniek vreest, des te gespannener hij wordt en des te groter de kans wordt dat paniekaanvallen opnieuw optreden. 

Stap 2: beter omgaan met lichamelijke sensaties en angstige gedachten

Weten dat paniekaanvallen eigenlijk vals alarm zijn is één ding. Goed kunnen omgaan met de lichamelijke sensaties en angstwekkende gedachten die bij zo’n vals alarm horen is iets anders. Dat is de tweede gemeenschappelijke stap in cognitieve gedragstherapie bij paniekstoornis. Met behulp van ontspanning, rustige gedachten, afleiding en andere technieken leert de patiënt om meer controle te krijgen over panieksensaties.

Stap 3: wennen aan lichamelijke sensaties

Gewenning is een binnen de cognitieve gedragstherapie veel gebruikt genezingsprincipe. Je kunt wennen aan dingen die griezelig lijken, maar het in feite niet zijn. Dat geldt ook voor de door patiënten met paniekstoornis zo gevreesde panieksensaties. In alle bewezen effectieve procedures van cognitieve gedragstherapie bij paniekstoornis wordt daarom gebruik gemaakt van gewenning als genezingsprincipe. De patiënt moet op één of andere manier de sensaties die hij vreest oproepen. Zo kan hij er aan wennen en zo kan hij nog beter leren er weer controle over te krijgen (zie stap 2).

Dit oproepen van angstwekkende sensaties gebeurt altijd geleidelijk. Er wordt gebruik gemaakt van verschillende methoden. Benauwdheid kan worden opgeroepen door de patiënt te vragen zijn adem even in te houden. De hartslag kan worden versneld door een aantal kniebuigingen te maken, of door te rennen op de plaats. Draaierigheid kan worden geactiveerd door de patiënt enkele keren rond te draaien op een bureaustoel. Telkens zullen dergelijke paniekachtige gevoelens net voldoende worden opgeroepen dat de patiënt ze kan verdragen. Pas dan kan hij immers eraan leren wennen en ze geleidelijk aan onder controle brengen.

Hoe lang duurt cognitieve gedragstherapie bij paniekstoornis en wat zijn de effecten?

Doorgaans kan met 8-18 wekelijkse zittingen cognitieve gedragstherapie een goed resultaat worden bereikt. Ongeveer driekwart van de patiënten heeft baat bij zo’n behandeling. Voorwaarde is daarbij wel dat de patiënt ook huiswerkoefeningen doet. Wanneer na maximaal 16 weken onvoldoende resultaat is bereikt moet behandeling met medicatie worden overwogen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *